Rancière schrijft dat Lyotard in de traditie van het marxisme denkt, meer bepaald van Adorno en Clement Greenberg, in die zin dat de radicale autonomie van kunst wordt verbonden met de belofte van sociale en politieke emancipatie (p. 95). Weliswaar niet vanuit de tegenstelling tussen l'art pour l'art en geëngageerde kunst, maar de gedachte dat kunst politiek is in zichzelf. Hierin zit ook het fundamentele onderscheid tussen kunstwerken en consumptiegoederen.
Daarmee produceert kunst een heel eigen 'goed', namelijk 'dissensus'. Met die dissensus krijgen kunstwerken een bijzondere kwaliteit en worden ze gelinkt met een extern goed, bij Adorno toekomstige emancipatie, bij Lyotard het antwoord op een eis van de eeuw.
Er is echter een verschil tussen de twee. Bij Adorno uit de dissensus zich als een 'contradictie', een tegenstelling tussen kunstwerken en commerciële esthetische producten. By Lyotard is de dissensus verbreed en verdiept. Het gaat niet meer over een vervreemding van de kapitalistische genotszucht, maar om een meer fundamentele vervreemding in wat het betekent om mens te zijn. Het wordt een 'ramp', die onoverkomelijk is.
De vergelijking komt opnieuw naar boven wanneer Rancière de invloed van Schiller bespreekt. Voor zowel Adorno als Lyotard zo het vrije spel van de kunsten een nieuw soort vrijheid betekenen die de tegenstellingen van de politieke vrijheid overstijgt. Kunst wordt een politiek principe, meer zelfs het wordt metapolitiek. De 'esthetische opvoeding' van de mens, zoals door Schiller gethematiseerd, komt zo uiteindelijk tot uitdrukking, het opheffen van de spanning tussen alteriteit en zelfheid.
Het wordt vreemd wanneer Rancière aan het einde van de tekst Lyotards 'onverzoenbaarheid' niet alleen gaat zien als de finale verwezenlijking, maar ook als de omverwerping van de esthetische metapolitiek. Het modernisme wordt op die manier losgemaakt van politieke emanicipatie en ingeschreven in een ander historisch narratief (p. 103). De vervreemding waarvan een kunstwerk getuigt, kan dus niet meer worden overstegen. Het verlangen naar emancipatie slaat door in een verlangen naar heerschappij en daarmee uiteindelijk in totalitarisme.
Die wending aan het einde van Rancières tekst maakt het uitgangspunt van dit argument verwarrend: Lyotard die de autonomie van kunst verbindt met emancipatie. Omdat het dus uitmondt in het besluit dat Lyotards autonomie van kunst emancipatie niet alleen onmogelijk maakt, maar bovendien de deur openzet naar verknechting en totalitaire heerschappij. Het lijkt alsof Rancière Lyotard niet beide kan 'verwijten'. Ik begrijp dat Rancière bedoelt dat Lyotard zich in de marxistische manier van denken inschrijft om dan te eindigen met de radicalisering van de emancipatiegedachte als iets onverzoenbaars. Toch voelt het contra-intuïtief om te besluiten met de tegengestelde stelling van het uitgangspunt.
Rancière, J. (2009). Lyotard and the Aesthetics of the
Sublime: a Counter-reading of Kant. In J. Rancière, Aesthetics and its Discontents (pp. 88-105). Cambridge: Polity
Press
