woensdag 28 november 2018

Blauw en roze in d'Orsay

Op dit moment loopt in het Parijse Musée d'Orsay een uitstekende Picasso-tentoonstelling. 'Picasso. Bleu et Rose.' toont vroeg werk, hoofdzakelijk geschilderd tussen 1900 en 1906. De schilder was toen tussen 19 en 25 jaar oud.

Opvallend aan de tentoonstelling is hoe het vroegste werk een sterke diversiteit aan stijlen toont, gaandeweg zie je hoe de stem van de schilder zich ontwikkelt in een meer consistente stijl, die weliswaar nog altijd sterk realistisch en figuratief blijft. De uitstekende techniek van Picasso valt op, net als zijn buitengewone aanleg voor het uitbeelden van menselijke figuren, portretten, gezichten. Hier en daar duiken vreemdsoortige elementen op, het circusleven en de harlekijn, een nadruk op het misvormde, maar al bij al weinig aanwijzingen van de surrealistische en abstracte paden die hij later zal nemen.

De geleidelijke, particuliere ontwikkeling van een kunstenaar botst vaak met de conceptuele breuk die filosofen aan moderne kunst toekennen. Het geeft bijvoorbeeld te denken wanneer Lyotard Picasso vermeld als een van de avantgardes waarbij een 'onomkeerbare verandering in de bestemming van de werken' plaatsvindt (p. 107). Waar bij Lyotard in termen van een breuk wordt gedacht, gaat het bij de kunstenaar zelf om een geleidelijk proces waar - volgens mij althans - geen cruciale breuklijn is te onderscheiden in de overgang van figuratief naar abstract-conceptueel. In 'Lyotard and the Aesthetics of the Sublime' haalt Rancière een citaat aan uit 'L'inhumain'. Daarin argumenteert Lyotard tegen trans-avant-gardisme en het vermengen van realistische motieven met abstracte of conceptuele motieven. Opnieuw lijkt dit me exemplarisch voor de duidelijke conceptuele scheidingen die de filosoof wil aanbrengen tegenover het immer meerzinnige zoeken van de kunstenaar.

Pablo Picasso, Nu sur fond rouge, 1905-1906.
Pablo Picasso, La chambre bleue, 1901.
Pablo Picasso, Le meneur de cheval, 1905-1906.
Pablo Picasso, Arlequin assis au fond rouge, 1905.
Pablo Picasso, La femme à l'éventail, 1909.

Pablo Picasso, Autoportrait, 1901.

Lyotard, J.-F. (1992). Het sublieme en de avantgarde. In J.-F. Lyotard, Het onmenselijke. Causerieën over de tijd (pp. 93-115). Kampen/Kapellen: Kok Agora/Pelckmans.

Picasso, P. (18 sept. 2018- 6 jan. 2019). Picasso. Bleu et rose. Parijs: Musée d'Orsay.

Lyotard en vrije liefde

Ik heb het gevoel dat Lyotard een soort naïviteit of optimisme aanneemt ten aanzien van de avant-garde als disruptieve beweging. Het doet me denken aan de vrije liefde van de hippiecultuur. Er ontstond een soort naïeve overtuiging dat het afwijzen van alle conventies die met liefde, romantiek en seksualiteit te maken hebben, leidt tot een openheid, het in vraag stellen vastgelegde maatschappelijke vormen. In het geval van de hippiecultuur bleek al snel dat ook de afwijzing op haar beurt een pose was, met eigen codes en verwachtingen. Met andere woorden dat ook een negatieve invulling nog altijd een invulling blijft. Op dezelfde manier kan je naar moderne kunst kijken als een evolutie waarbij het hardnekkige afbreken van verwachtingen, technieken en vormen zelf een manier van doen wordt. Dus dat ook de disruptieve vraag op haar beurt representatie wordt. (Misschien is de vergelijking interessant tussen Lyotards appreciatie voor het avant-gardisme en de negatieve evaluatie ervan die Habermas in zijn essay aanbrengt. Habermas wijst er net op hoe de avant-garde een herhaling wordt en daarmee zelf een traditie.)

Meer algemeen lijkt het dan ook dat het conceptenpaar 'het sublieme' en 'representatie', waarbij het laatste wijst op het volgen van regels en het eerste op het afwijzen ervan, problematisch is. De koppeling van het sublieme met het nu, de ervaring, het gebeuren kan ik plaatsen, die met het breken met regels veel minder. Ook al lijkt dat precies wat op een gegeven moment in de avant-garde is gebeurd, voor mij overtuigt het niet als wezenskenmerk van moderne kunst. Tijdens de discussie in de les werd ook duidelijk dat Lyotards invulling van 'representatie' eveneens op veel vragen en onduidelijkheden stuit.

Op pagina 106 en 107 ontwikkelt Lyotard een redenering over het verschil tussen de kunsten van de taal en de schilderkunst. Wat wordt gesteld heeft mij enigszins verbaasd, omdat naar mijn gevoel de omgekeerde redenering ook weleens wordt gemaakt. Lyotard stelt dat figuratie beperkingen oplegt aan de mogelijkheden van de emotionele uitdrukking, terwijl de taal vrij baan geeft aan het vermogen om te ontroeren. (Merk op: ook bij Heidegger speelt de Dichtung een belangrijke rol en wordt gesteld dat alle kunst in wezen dichtkunst is, weliswaar vanuit een brede definitie van dichtkunst, niet strikt beperkt tot de poëzie zoals wij die kennen.)
De alternatieve redenering die ik in verschillende vormen al heb zien opduiken is de volgende. Andere kunstvormen kunnen een beroep doen op rechtstreekse zintuiglijke prikkels, denk aan muziek dat een directe lijn lijkt te hebben met een innerlijke roering; het theater dat in woorden en gebaren en houdingen een totaalgevoel kan uitdrukken, met interne tegenstrijdigheden zelfs; een schilderij dat weemoed kan opwekken naar een oude herinnering die niet eens meer tastbaar is. Al deze kunstvormen kunnen het onzegbare uitdrukken. Daar tegenover staat de taal, die zich nauwelijks kan bevrijden uit de dwangbuis van het zegbare, de onontkoombare plicht zich in woorden, de grondstof van het denken, uit te drukken. Wanneer Lyotard wijst op het sublieme als een gebeuren dat aan reflectie vooraf gaat, vind ik dat heel moeilijk te rijmen met zijn lof voor poëzie en proza, naar mijn gevoel bij uitstek de vormen waarin reflectie amper te vermijden valt.

Tot slot heb ik moeite met Lyotards nadruk op moderne kunst als een kunst die zich bewust wordt van zichzelf en daarmee haar eigen systeem/regels/manieren in vraag stelt bij monde van het kunstwerk zelf. Het valt nauwelijks te ontkennen dat kunstenaars op een bepaald moment zijn beginnen spelen met de materialiteit van hun werk (bv. onderzoek naar kleur in de schilderkunst) en met de vraag wat een kunstwerk of een kunstdomein doet (bv. fotografie die speelt met de afwezigheid van observatie). (Een beweging waarvan de aanzet door Danto overigens al aan het begin van de Renaissance wordt gesitueerd.) Het is een andere zaak daarin een cruciale, onderscheidende wending van de moderne kunst te zien. In de eerste plaats omdat navelstaarderij dreigt en daarmee de politiek-maatschappelijke relevantie van kunst verloren kan gaan. In de tweede plaats omdat daarmee een richting wordt opgegaan van een kunst die alleen nog vragen kan stellen en geen antwoorden meer kan bieden.


Lyotard, J.-F. (1992). Het sublieme en de avantgarde. In J.-F. Lyotard, Het onmenselijke. Causerieën over de tijd (pp. 93-115). Kampen/Kapellen: Kok Agora/Pelckmans.


Habermas, J. (1981). Het moderne – Een onvoltooid project (C. Offermans, Vert.). Raster, 19, 126-143.

Heidegger, M. (2009). De oorsprong van het kunstwerk. Amsterdam: Boom.

Danto, A.C. (1998). Introduction: Modern, Postmodern, and Contemporary. In A.C. Danto, After the End of Art: Contemporary Art and the Pale of History (pp. 3-19). Princeton: Princeton University Press.