maandag 29 oktober 2018

De aarde en haar integriteit

Uit het begrip aarde dat Heidegger gebruikt, spreekt een integriteit en een onvervreemdbare waardigheid, een soort zorg om de aarde te doen schitteren en oplichten. Het staat tegenover een instrumentele kijk op de natuur, een focus op grondstoffen, verbruiken en economisch potentieel.

In het recente boek 'Het tijdperk van de tovenaars' argumenteert Wolfram Eilenberger dat Heidegger een inspiratiebron was voor de oprichting de groene partij in Duitsland en dat verschillende leerlingen van Heidegger gelden als stichtende leden van de partij. Bovendien zegt Eilenberger dat die groene partij een zeker conservatisme, dat ook Heidegger niet vreemd is (het landelijke leven, de integriteit van de natuur), paart aan progressieve ideeën.

Ik vind dit een opmerkelijke manier om naar groene partijen te kijken en in het begrip aarde komt dit perspectief ook naar voren.

In 'De oorsprong van het kunstwerk' in het algemeen blijft dezelfde spanning bestaan tussen een radicaal herdenken (bijvoorbeeld van de klassieke esthetica) en een reactionair denken (bijvoorbeeld in de romantische appreciatie van de dichtkunst).


Heidegger, M. (2009). De oorsprong van het kunstwerk. Amsterdam: Boom.

Eilenberger, W. (2018). Het tijdperk van de tovenaars. Amsterdam: De Bezige Bij.

dinsdag 23 oktober 2018

Kunst over de onmiddellijkheid

In de behandelde tekst haalt Hegel de poëzie en de genretaferelen van Nederlandse schilders aan als specifieke voorbeelden van hoe kunstwerken het alledaagse, gewone leven als onderwerp namen. In de literatuur is een soortgelijke wending te onderscheiden met het ontstaan van de prozaroman. 'Gargantua en Pantagruel' (1537) van Rabelais en 'Don Quichot' (1605) van Cervantes worden als een van de eerste werken gezien in het nieuwe genre. Vooral Don Quichot is toepasselijk in deze context omdat de held hier wordt opgevoerd in een concrete, alledaagse context.
Geruime tijd later publiceerde Henry Fielding 'The History of Tom Jones, a Foundling' en ziet het als zijn opgave om scherp te stellen wat die nieuwe kunstvorm - waarvan hij zichzelf trouwens als stichter ziet - precies inhoudt. Fielding noemt de jonge discipline 'prozaï-komi-epische geschriften'. Wat op het spel staat is een studie van de menselijke natuur: 'door zijn roman uit te vinden ontdekt de romancier een tot dan toe onbekend, verborgen aspect van de 'menselijke natuur'; een romaneske uitvinding is dus een kennisakte, die Fielding definieert als 'een snel en scherpzinnig inzicht in de ware essentie van alles wat we aan onze beschouwing onderwerpen (a quick and sagacious penetration into the true essence of all the objects of our contemplation). (Een opmerkelijke zin; het bijvoeglijk naamwoord 'snel' - quick - maakt duidelijk dat het om een specifieke kennisakte gaat, waarin intuïtie een fundamentele rol speelt.)' (Kundera, p. 13) Ondanks die duidelijke bestaansreden is de vorm van de roman volledig vrij, volgens Fielding.


Hegel, G.W.F. (1970). Die Auflösung der romantischen Kunstform. In G.W.F. Hegel, Werke in zwanzig Bänden 14. Vorlesungen über die Ästhetik (pp. 220-242). Frankfurt am Main: Suhrkamp.

Kundera, M. (2006). Het doek. Amsterdam: Ambo|Anthos.

zaterdag 20 oktober 2018

De Griekse polis: hoogtepunt van de kunst

Net als Schiller kijkt Hegel naar de Griekse polis als voorbeeld.

Bij Schiller wordt de brug die de hogere kunst kan slaan tussen de driften van de wilde en de harteloze principes van de barbaar niet gerealiseerd in de feitelijke geschiedenis, ook niet bij de Grieken. Er is esthetische bloei in een tijd waarin er geen politieke vrijheid is, of omgekeerd.
Bij Hegel wordt het ideaal van de kunst, de eenheid tussen het zintuiglijke en de vergeestelijking, wel gerealiseerd in de Griekse polis.

Wat beide auteurs wel delen is het idee dat er iets onaf blijft in de Griekse cultuur.
Bij Schiller gaat het om een toestand die noch in stand kan worden gehouden, noch boven zichzelf kan uitstijgen en daarom aanleiding geeft tot fragmentatie.
Bij Hegel is de verscheurdheid eigen aan de dialectische beweging die doorgaat. Het hoogtepunt van de kunst valt niet samen met de absolute geest.


Schiller, F. (2009). Brieven over de esthetische opvoeding van de mens (2de dr.). Amsterdam: Octavo publicaties.


Hegel, G.W.F. (1970). Die Auflösung der romantischen Kunstform. In G.W.F. Hegel, Werke in zwanzig Bänden 14. Vorlesungen über die Ästhetik (pp. 220-242). Frankfurt am Main: Suhrkamp.