Bij Schiller wordt de brug die de hogere kunst kan slaan tussen de driften van de wilde en de harteloze principes van de barbaar niet gerealiseerd in de feitelijke geschiedenis, ook niet bij de Grieken. Er is esthetische bloei in een tijd waarin er geen politieke vrijheid is, of omgekeerd.
Bij Hegel wordt het ideaal van de kunst, de eenheid tussen het zintuiglijke en de vergeestelijking, wel gerealiseerd in de Griekse polis.
Wat beide auteurs wel delen is het idee dat er iets onaf blijft in de Griekse cultuur.
Bij Schiller gaat het om een toestand die noch in stand kan worden gehouden, noch boven zichzelf kan uitstijgen en daarom aanleiding geeft tot fragmentatie.
Bij Hegel is de verscheurdheid eigen aan de dialectische beweging die doorgaat. Het hoogtepunt van de kunst valt niet samen met de absolute geest.
Schiller, F. (2009). Brieven
over de esthetische opvoeding van de mens (2de dr.). Amsterdam:
Octavo publicaties.
Hegel, G.W.F. (1970). Die Auflösung der romantischen
Kunstform. In G.W.F. Hegel, Werke in
zwanzig Bänden 14. Vorlesungen über die Ästhetik (pp. 220-242). Frankfurt
am Main: Suhrkamp.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.