Enerzijds kan ik die inschatting volgen. Heidegger doet weinig inspanningen om zijn ontologische analyse te vertalen in een manier waarop de concrete omgang met een werk kan gebeuren. Het doelbewust vermijden van concepten als subject, maker, toeschouwer, beleving en esthetiek helpt ook niet. In het beeld dat bijvoorbeeld de Griekse tempel oproept, zie ik geen mens rondlopen. Ook waar sprake is van wereld of volk, is het moeilijk om er concrete omstandigheden bij voor te stellen.
Anderzijds is het ook geen idealistische analyse. Op een abstracter niveau doet Heidegger bij uitstek beroep op een fenomenologisch verstaan. Om met Ludwig Wittgenstein te spreken: 'Dit boek zal misschien alleen iemand begrijpen, die de gedachten welke erin uitgedrukt zijn - of toch soortgelijke gedachten - zelf al eens gedacht heeft.' Of, juister in dit geval, de fundamentele ervaring van een kunstwerk zelf al eens ervaren heeft. Wanneer je bereid bent om mee te stappen in Heideggers karakteristieke conceptuele kader en grootste manier van betogen, voel je bij jezelf een spontane instemming over een fundamentele ervaring die expliciet wordt gemaakt, veel meer dan dat je akkoord gaat met de redenering op basis van overtuigende argumenten.
Heidegger, M. (2009). De
oorsprong van het kunstwerk. Amsterdam: Boom.
Wittgenstein, L. (1998). Tractatus Logico-Philosofphicus. Amsterdam: Atheneum - Pollak & Van Gennep.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.