De toekenning van de beurzen wordt toevertrouwd aan een onafhankelijke commissie van experts, die niettemin handelt in opdracht van de staat, in dit geval de Vlaamse overheid. Omdat het einddoel van de beoordeling het toekennen van subsidies is, is het een politieke aangelegenheid. Dus wat aan de orde is, is het oordeel van het politieke over een concrete kunstpraktijk.
Wat voor mij opvalt aan de argumenten die worden gebruikt, is de nadruk op de vorm: er wordt gepleit voor een plotgedreven, spannend, narratief boek met minder uitweidingen en geloofwaardige (realistische?) dialogen. Het hoeft geen betoog dat er in de literatuur een belangrijke plaats is voor dit soort boeken, maar evenmin dat er doorheen de literatuurgeschiedenis ook tal van andere vormen werden gebruikt. Er verschijnt misschien iets in het schijnbaar onbeduidende geleuter van James Joyce in Ulysses, sommigen zijn gek op de absurde sprongen van Witold Gombrowicz, de uitweidingen van Marcel Proust ergeren de ene en betoveren de andere. Ik verwijs ook opnieuw naar Henry Fielding en diens overtuiging dat de vorm van literatuur vrij moet zijn (zie blogpost 'Kunst over de onmiddellijkheid').
Ik meen dat er andere vormen van argumenteren mogelijk zijn die de commissie had kunnen gebruiken: inhoudelijke fundering, coherentie van het werk in de ontwikkeling van de kunstenaar, keuze van doelgroepen, maatschappelijke relevantie desnoods. Over elk van deze criteria kan worden gediscussieerd, maar ik denk dat ze een stabielere basis bieden om te oordelen dan de vorm die de maker verkiest te gebruiken.
Overschrijdt het politieke hier een grens naar iets waarover ze geen zeggenschap heeft? Schiller biedt een dubbelzinnig antwoord: 'Zowel kunst als wetenschap staan los van alles wat positief is en wat door menselijke conventies is ingevoerd, en beide verheugen zich in een absolute immuniteit voor de menselijke willekeur. De politieke wetgever kan hun domein afsluiten, erin heersen kan hij echter niet. Hij kan de waarheidsvriend verbannen, maar de waarheid zelf houdt stand; hij kan de kunstenaar vernederen, maar de kunst kan hij niet vervalsen.' Maar Schiller vervolgt meteen: 'Wel is niets gebruikelijker dan dat beide, wetenschap en kunst, trouw zijn aan de geest van de tijd en dat de smaak van de producent zich richt naar de wet van de beoordelaar.' (Schiller, pp. 31-32)
Deze laatste gedachte doet me denken aan het esthetische oordeel bij Kant en hoe het genie altijd al rekening dient te houden met de toeschouwer, anders maakt hij onzinnige kunst. Dat de maker de blik van het publiek moet meenemen, lijkt me onoverkomelijk. De vraag is of dat per se hoeft te leiden naar niet-hermetische kunstwerken en of dit kan worden afgedwongen door het politieke.
Schiller, F. (2009). Brieven
over de esthetische opvoeding van de mens (2de dr.). Amsterdam:
Octavo publicaties.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.