Meer algemeen lijkt het dan ook dat het conceptenpaar 'het sublieme' en 'representatie', waarbij het laatste wijst op het volgen van regels en het eerste op het afwijzen ervan, problematisch is. De koppeling van het sublieme met het nu, de ervaring, het gebeuren kan ik plaatsen, die met het breken met regels veel minder. Ook al lijkt dat precies wat op een gegeven moment in de avant-garde is gebeurd, voor mij overtuigt het niet als wezenskenmerk van moderne kunst. Tijdens de discussie in de les werd ook duidelijk dat Lyotards invulling van 'representatie' eveneens op veel vragen en onduidelijkheden stuit.
Op pagina 106 en 107 ontwikkelt Lyotard een redenering over het verschil tussen de kunsten van de taal en de schilderkunst. Wat wordt gesteld heeft mij enigszins verbaasd, omdat naar mijn gevoel de omgekeerde redenering ook weleens wordt gemaakt. Lyotard stelt dat figuratie beperkingen oplegt aan de mogelijkheden van de emotionele uitdrukking, terwijl de taal vrij baan geeft aan het vermogen om te ontroeren. (Merk op: ook bij Heidegger speelt de Dichtung een belangrijke rol en wordt gesteld dat alle kunst in wezen dichtkunst is, weliswaar vanuit een brede definitie van dichtkunst, niet strikt beperkt tot de poëzie zoals wij die kennen.)
De alternatieve redenering die ik in verschillende vormen al heb zien opduiken is de volgende. Andere kunstvormen kunnen een beroep doen op rechtstreekse zintuiglijke prikkels, denk aan muziek dat een directe lijn lijkt te hebben met een innerlijke roering; het theater dat in woorden en gebaren en houdingen een totaalgevoel kan uitdrukken, met interne tegenstrijdigheden zelfs; een schilderij dat weemoed kan opwekken naar een oude herinnering die niet eens meer tastbaar is. Al deze kunstvormen kunnen het onzegbare uitdrukken. Daar tegenover staat de taal, die zich nauwelijks kan bevrijden uit de dwangbuis van het zegbare, de onontkoombare plicht zich in woorden, de grondstof van het denken, uit te drukken. Wanneer Lyotard wijst op het sublieme als een gebeuren dat aan reflectie vooraf gaat, vind ik dat heel moeilijk te rijmen met zijn lof voor poëzie en proza, naar mijn gevoel bij uitstek de vormen waarin reflectie amper te vermijden valt.
Tot slot heb ik moeite met Lyotards nadruk op moderne kunst als een kunst die zich bewust wordt van zichzelf en daarmee haar eigen systeem/regels/manieren in vraag stelt bij monde van het kunstwerk zelf. Het valt nauwelijks te ontkennen dat kunstenaars op een bepaald moment zijn beginnen spelen met de materialiteit van hun werk (bv. onderzoek naar kleur in de schilderkunst) en met de vraag wat een kunstwerk of een kunstdomein doet (bv. fotografie die speelt met de afwezigheid van observatie). (Een beweging waarvan de aanzet door Danto overigens al aan het begin van de Renaissance wordt gesitueerd.) Het is een andere zaak daarin een cruciale, onderscheidende wending van de moderne kunst te zien. In de eerste plaats omdat navelstaarderij dreigt en daarmee de politiek-maatschappelijke relevantie van kunst verloren kan gaan. In de tweede plaats omdat daarmee een richting wordt opgegaan van een kunst die alleen nog vragen kan stellen en geen antwoorden meer kan bieden.
Lyotard, J.-F. (1992). Het sublieme en de avantgarde. In
J.-F. Lyotard, Het onmenselijke.
Causerieën over de tijd (pp. 93-115). Kampen/Kapellen: Kok Agora/Pelckmans.
Habermas, J. (1981). Het moderne – Een onvoltooid project (C.
Offermans, Vert.). Raster, 19, 126-143.
Heidegger, M. (2009). De
oorsprong van het kunstwerk. Amsterdam: Boom.
Danto, A.C. (1998). Introduction: Modern, Postmodern, and
Contemporary. In A.C. Danto, After the
End of Art: Contemporary Art and the Pale of History (pp. 3-19). Princeton:
Princeton University Press.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.